Van poetskamer naar bibliotheek

on 06 September 2015

door Rende van de Kamp

De eerste keer dat ik op Spijkerbosch kwam was waarschijnlijk in 1973. Ik zat toen in de brugklas van de Christelijke Scholengemeenschap Revius in Deventer. Ik was afkomstig van het Geert Grote College in dezelfde stad, waar ik ook al in de brugklas zat. Eén van mijn nieuwe klasgenoten was Eef van Limburg Stirum. Ik weet niet meer of het meteen al na de grote vakantie was, dat ik met hem meefietste of dat het in het jaar daarop was. 


Zelf woonde ik bij mijn ouders in Schalkhaar en elke dag fietste ik naar school in Deventer. Een paar kilometer was dat zomaar. Eef daarentegen woonde op de Boskamp bij Olst en dat was wel twintig kilometer fietsen. Heen en terug. Elke dag. Ook wanneer het regende. Op een dag dus mocht ik mee. Waarschijnlijk een vrijdagmiddag. Eef vertelde dat hij in een groot wit huis woonde. Al in Diepenveen meldde ik hem dat ik tussen de bomen het grote witte huis zag liggen. Eef lachte alleen maar. Bij elke bocht, aan het eind van elke oprijlaan, achter elk weiland meende ik het grote witte huis te zien. Eef vertelde telkens lachend dat het nog iets verder fietsen was. 
Met enige schrik dacht ik eraan dat ik alles wat ik nu fietste straks ook weer terug moest. Alleen door het bos. En op tijd weer thuis, want mijn ouders waren akelig precies. Aankondigen dat je iets later kwam kon niet, want mobiele telefoons had je toen nog niet. Telefoons waarmee je kon fotograferen ook niet. Eef vertelde ondertussen breeduit over de bossen waar we doorheen fietsten en de huizen die we zagen. Hier woonde die, dat kasteeltje daar was van die en dat grote huis met de vervaarlijke honden op het erf was van een voormalig NSB'er die zich niet zo veilig voelde, zo vertelde Eef glunderend. 
Plotseling kwam een enorme met eiken begroeide oprijlaan in beeld. De laan zelf was toen nog onverhard en vol kuilen en plassen. Aan het eind stond een groot wit huis. We moeten hierin, zei Eef. We fietsten de oprijlaan af en ik kon niet geloven dat dit echt het huis was van mijn klasgenoot. We waren net op tijd voor de thee en even later zat ik in de grote keuken aan tafel met Eef's moeder en een aantal personeelsleden. 
Het grote witte huis hing vol met schilderijen waar ik toen nog maar weinig belangstelling voor had. Wat wel mijn aandacht trok was het grote rek in de gang waaraan middeleeuwse wapens hingen. Zwaarden, bijlen, sabels, hellebaarden, dolken en messen. Sommige messen en sierdolken waren door de vader van Eef in de Tweede Wereldoorlog meegenomen uit Duitsland, waar hij als tolk diende in het Britse leger. Een oude speer met afgebroken steel was ooit door een tante gebruikt om 's nachts onder haar bed te porren, toen ze daar spoken vermoedde. Het spook hield zich rustig, maar de speer was afgebroken. 
In een bovenkamer van het grote huis was een grote kast met de jachtwapens van de vader van Eef. Hij bleek een verwoed jager. Vele jachttrofeeën hingen tussen de schilderijen met familieleden. In Eef zijn kamer stonden lange rijen boeken over militaire onderwerpen naast schaalmodellen van jachtvliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Eigenlijk was het huis een jongensdroom. Er was zo enorm veel te ontdekken. In de werkkamer van de vader van Eef stond een reusachtige bandrecorder met grote rollen tape. 'Mijn vader wil Russisch leren', verklaarde Eef. Dat was toch bijzonder? Een graaf die Russisch leert tijdens de Koude Oorlog? 
Nog vele jaren zou ik als vaste gast op het landgoed komen. Uiteindelijk werd Eef de hoofdbewoner van Spijkerbosch. Samen met Heidi, zijn vrouw en zijn kinderen. Hoewel het huis ingrijpend werd gerenoveerd, bleef de boekenverzameling van Eef een constante. In de oude poetskamer werd een prachtige bibliotheek gebouwd, waar boek na boek in de schappen stond. Het enige dat in al die jaren was veranderd, was dat nu ook enige van de door mij geschreven boeken op de planken stonden.