Historie

In 1914 kocht de heer mr. dr. J. Luden Spijkerbosch voor zijn dochter Marie. Zij was getrouwd met S.J. graaf van Limburg Stirum, waardoor Spijkerbosch in de familie Van Limburg Stirum terecht is gekomen. Sinds 1915 woont de familie Van Limburg Stirum op Spijkerbosch, inmiddels de derde en vierde generatie. 

Lang is gedacht dat de naam Spijkerbosch verwees naar de functie van de buitenplaats als ‘spieker of spijker’ (graanopslagplaats) liggende in een ‘bosch’. Dit blijkt niet het geval te zijn. Spieker of spijker was de term waarmee niet-adellijke herenhuizen op het platteland door tijdgenoten aangeduid werden [1]. Spiekers (in de functie van buitenplaats) waren vooral een Sallands fenomeen [2].

Spijkerbosch kent een bewoningsgeschiedenis die veel verder teruggaat dan de afgelopen honderd jaar dat familie Van Limburg Stirum er woonde. De 'naamgeving' van Spijkerbosch zou in de 14de eeuw of eerder moeten hebben plaats gevonden, gezien de vermelding als 'bona ten Spikerhuis' in de uit 1313 daterende lijst van boerderijen in Salland [3], die gezien de context hoogstwaarschijnlijk slaat op Spijkerbosch. In 1490 wordt het ‘Spykerbusch’ voor het eerst in de annalen vermeld. Sinds deze tijd hadden twaalf verschillende families Spijkerbosch in bezit. Meestal ging het huis na twee of drie generaties door vererving via een dochter of door verkoop over in handen van een andere familie. En dat duurde veelal geen honderd jaar.

De basis voor het huidige Spijkerbosch is gelegd in de zeventiende eeuw. Door het huwelijk van Anna Krijt kwam Spijkerbosch in handen van de patriciërsfamilie Van Doetinchem. Haar zoon Engelbert trouwde in 1596 met Golda van Wijnbergen. In 1611 lieten Engelbert en Golda een stenen woonhuis bouwen op Spijkerbosch.

De zoon van Engelbert en Golda van Doetinchem, Johan, bouwde Spijkerbosch verder uit als buitenverblijf. In 1659 liet hij een compleet nieuwe woning pal naast het oude bouwen. Dit bouwjaar prijkt nog altijd op de voorgevel. De entree van het pand uit 1659, met zandstenen omlijsting, is nog altijd in gebruik. Tegelijkertijd met deze uitbreiding werd een bijgebouw aan de rechterkant van het voorplein gerealiseerd, met een karakteristieke Gelders-Overijsselse trapgevel (zoals boerderij de Roze bij de noordelijke entree van Olst nog heeft).

In de negentiende eeuw kreeg Spijkerbosch zijn huidig voorkomen. Juliana Catharina Euphemia Stulen (1813-1891) erfde het bezit in 1864 van de familie Swijghuizen. Zij was getrouwd met Christianus Hendricus Adolph Engelenberg (1810-1888), burgemeester van IJsselmuiden, Grafhorst en Wilsum. Christiaan en Julia voegden in 1865 beide woonhuizen van Spijkerbosch samen tot één geheel in neoclassicistische, zoals in die dagen de mode was. Spijkerbosch kreeg een min of meer symmetrisch uiterlijk op basis van een rechthoekige plattegrond, met forse raampartijen, gepleisterde gevels voorzien van pilasters en bekroond met een klokkentorentje. Het koetshuis op het voorplein werd in dezelfde stijl verbouwd. De tuin- en parkaanleg werden vermoedelijk in de negentiende eeuw omgevormd van een klassieke formele aanleg naar een zogenaamde late landschapsstijl [4] met als bijzonderheid de aanplant van Noord-Amerikaanse exoten. De rechthoekige vorm van de gracht werd vergraven tot een landschappelijke vijver met een uitstulping aan de oostkant van het huis.

De familie Engelenberg heeft niet zo lang van het Spijkerbosch genoten. In 1878 deed de familie het goed van de hand aan Jan Herman Adriaan Schimmelpenninck, fabrikant te Deventer (1817-1893) en zijn vrouw Johanna Magdelena van Nes van Meerkerk (1817-1879).

Na het overlijden van bewoner Schimmelpenninck brachten zijn nazaten Spijkerbosch opnieuw in veiling. De nieuwe eigenaar was Rudolph Jan Wolfgang Frans baron van Hoevell tot Nijenhuis (1844-1913), die zojuist met vervroegd pensioen was gegaan. Hoevell tot Nijenhuis bleef ongehuwd. Hij blies in 1913 op Spijkerbosch zijn laatste adem uit. Via de familie Teding van Berkhout van Hoenlo kwam de buitenplaats een jaar later in handen van Johannes Luden.

[1] B. Olde Meierink, 'De buitenplaats', in: E.Gelderman en J.Hagendoorn (red.), Een aardsch paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en Veldwijk nabij Zwolle, Zwolle 1994, p. 15-23
[2] A. Grevers, A. Mensema en B. Olde Meierink, 'Buitenplaatsencultuur in Overijssel', in: Y. Kuiper en B. Olde Meierink, Buitenplaatsen in de gouden eeuw, de rijkdom van het buitenleven in de republiek, Hilversum 2015, p.231-233
[3] dr. P.W.A. Immink en dr. A.J. Maris, Registrum Guidonis, Het zogenaamde register van Guy van Avesnes Vorst-Bisschop van Utecht (1301-1317) met aansluitende stukken tot 1320, Kemink en zoon NV Utrecht 1969, p. 195
[4] Carla S. Oldenburger-Ebbers, Annemieke Bakker en Eric Blok, Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, uitgeverij De Hef 1995